Gevluchte vreemdelingen
Zij loopt in het noord Franse land door de duinen, op weg naar het strand van de Noordzee. Ze laat de honden los zodra ze voet op zand zet. Het is, getuige alle bordjes die bij herhaling op ieder beschikbaar paaltje prijken, strikt verboden honden los te laten lopen. Maar omdat zij vindt dat altijd naar het waarom achter een verbod moet worden gekeken en zij niemand tot last is, negeert ze het verbod.
Op het uitgestorven strand komen drie gendarmes haar in indrukwekkende pakken met knuppels, wapens en handboeien tegemoet. Afschrikwekkend voor iedereen met een geweten, goed of slecht.
Ze is bang dat ze boos zullen zijn vanwege de loslopende honden. Maar de honden interesseren hen niet. Ze willen weten of zij vluchtelingen heeft gezien? Zwemvesten, aangespoelde schoenen of anderszins resten die op bootjes met drenkelingen duiden? Er is een boot omgeslagen waarin mensen uit den verre zaten, op zoek naar een nieuw bestaan, naar vrijheid.
Ze is ontdaan van het bericht, het is ineens zo dichtbij, mensen die huis en haard achter laten op zoek naar veiligheid. Ze voelt intens mee met de arme ontheemden.
In de verte ziet ze haar viervoeters dartel rennen. Vrolijk en vrij.
Zij wel.
