Het ei
Zij mijmert wat over de kip en het ei, omdat beiden, overal en in talrijke vormen te zien zijn nu het weer Pasen is.
De hen zal het zich hoogstwaarschijnlijk niet realiseren, maar haar dagelijks broedsel staat niet alleen nu in letterlijke zin, maar door het jaar heen ook in figuurlijke zin centraal. Wie kent de gezegdes niet over de gelukkige relatie tussen het ei en het appeltje, het ei en de koek, en de verhouding tot de lege dop.
Die verzameling in karton, eerst door de kip en later door de koper in het mandje van de supermarkt gelegd, kent meer aandacht dan alleen met Pasen.
Columbus gebruikte een hardgekookt exemplaar om zijn ontdekking van Amerika mee te illustreren, de Hoge Raad vernoemde het kleinood in het eierschedelarrest in 1935 (een man gooide een pantoffel naar het hoofd van zijn vrouw, die daar vervolgens aan bezweek omdat zij een uiterst broze schedel bleek te hebben). En dan is er Jaap Fisher, de zanger van weleer, die het lot van het Ei bezingt bij het bakken ervan;
‘denk ‘ns dat het je broertje is dat zacht sist in de pan’.
Zo klein als het ei is, zo groot is de reikwijdte van het tere ding.
En zij? Zij heeft genoeg gemijmerd. Ze heeft trek gekregen, slaat met een ferme tik op het gekookte ei in en smult.
