Jong grijs

Ze hadden een reünie, na bijna vijftig jaar. Zeventien, meest grijze dames stroomden het hotel binnen voor een week samenzijn. Ze gingen terug in de tijd, sponnen opnieuw de draad die hen al zo lang verbond. Terug in de tijd: jong en onbezonnen waren ze geweest, op ontdekkingstocht naar nieuwe vrienden, naar wie ze waren, naar wie ze wilden worden.

De dames, deels de zeventig aangetikt, werden voor korte tijd weer de twintigers van weleer, vol plannen, vol idealen.

Vanuit de veilige haven van hun samen waar elk van hen al die vergane jaren naar toe heeft kunnen varen, voelden ze het stevige fundament van zowel gedeelde leut, als het lief en leed.  

Ze spraken, grapten, grolden. Er werd geproost, gespeecht, en terugkijkend op alle vergleden jaren, ook een enkele traan gelaten.

Er was geen stilte in die dagen.

Die kwam pas later, na terugkeer thuis, waar tutende oren rust kregen, de kaken weer uit de lachstand kwamen, de maaltijden werden genormaliseerd, de wijn een weekje in de kast bleef en verloren slaap werd ingehaald.

Nieuwe gezamenlijke herinneringen waren gevormd. En al werden die door het alledaagse rap naar de dag van gister geplaatst, het rijke gevoel van vrolijkheid, van vreugde, van veilige verwantschap bleef. Als een anker in hun grijze dagen.

Jong grijs