Koolmees geluk
De familie Koolmees is terug in het nestkastje vlak bij het keukenraam. Zij ziet het vrouwtje af en aan vliegen met rommeltjes om de broedplaats mee te vullen. De taakverdeling is duidelijk: het vrouwtje bouwt het nest en broedt de eieren uit. Daarna voeden beide ouders de jongen.
Na dagen is het zover. De kleintjes zijn uit hun eierschaal gekropen, en papa Kool komt nu ook in actie. Zij ziet hoe vredig deze ouders samen de klus klaren. Ze denkt te zien dat zij elkaar bij het naar binnen gaan van de nestkast liefdevol toeknikken, meent trotse ouderlijke blikken te zien en hoopt dat deze gedeelde zorgzaamheid tot in de lange lente voelbaar is.
Na korte tijd keert ze terug naar haar realiteit, naar het nieuws op de radio waar gewag wordt gemaakt van de zoveelste man die zijn vrouw heeft vermoord. Het beviel hem niet dat hij, na de geboorte van de kinderen, op een ander plekje in het gezin terecht was gekomen. Met één schot stuurde hij zijn vrouw weg van het aardse leven en zichzelf van zijn gezin.
Zij zucht bij het horen van de gruwelijkheden, kijkt naar buiten, naar het ouderlijk gefladder voor het vogelhuisje buiten. Had die man dit maar gezien. Had hij maar een voorbeeld genomen aan dit simpele, maar zo kostbaar koolmezen-geluk.
