Levend weg

Hij zoekt haar op in het nieuwe huis, thuisblijven ging niet meer.
Ze is weg van zoveel jaren samen. Ze is de wereld kwijt, tuurt in een grote leegte, een verte die ze met niemand delen kan.
Hij kust haar voorhoofd, leest voor, geeft haar water. Ze slikt niet meer, ze praat niet meer, ze kwijlt. Ze zitten een uurtje bij elkaar. Dan hijst hij haar in de rolstoel en rijdt haar naar de eetzaal voor de thee.
Zij komt tot leven, kijkt blijmoedig om zich heen, zwaait naar niet bestaande mensen.  Zij ziet wat hij niet ziet.
Twee gescheiden levens, zo vervreemd van elkaar. Dan, ineens, pakt ze zijn hand en drukt hem tegen haar wang. Ze huilt, lijkt wel. Ze kijkt met vreemde ogen naar de zijne. Ze zoeken, allebei.
De thee is op. Tijd om te gaan.
Hij kust ten afscheid zacht haar mond, die hem zo dierbaar is, die proeft naar hun verleden.
Zij, levend dood, zit stil, alweer verdwenen in het niets.

Levend weg