Requiem in oud roze
Zij zit in het concertgebouw naast een oude, tengere dame. Handen in de schoot, de degelijke handtas (soort Margaret Thatcher model) onder haar stoel. Haar blik op de aanstormend nieuwe jonge dirigent gericht. Hij heft zijn handen. Spanning in de zaal, zachtjes beginnen de violen.
De lage strijkers, in hun fluwelen lichtheid, zacht klagend in verbondenheid, wijzen vederlicht de weg naar verstopte gedachten. Beroering deint mee op de stroom van klank en fantasie. Er is geen tijd meer, geen besef, er is alleen muziek.
De dame heeft haar ogen gesloten. Weg is ze, god weet waarheen.
Het koor zet in. Helder, sprankelend, dan bassisch en zwaar. Het doet verlangen naar een eeuwigheid waarin dit nooit zal stoppen.
Zij werpt een zijdelingse blik op de broze buurvrouw. Er zijn tranen, ze laten een spoor na op haar gepoederde oudroze wangen.
De laatste noot. Stilte omarmt de zaal. De roze vrouw zit roerloos, een vochtige parelachtige schittering in haar ogen. Ze wisselen een blik uit, zijn verbonden zonder woorden, gesterkt door de muziek, die ten diepste roert, voedt en leidt.
De vrouw legt haar hand op haar hart.
Dat serene gebaar vat alles samen.
