Rouw(e) poëzie
Hij reed weg, werd een stipje aan haar horizon. Hij verdween uit haar straat, uit haar leven. Te ziek, te zwak, op weg naar huis om het hoofd voorgoed te laten rusten. Een afscheid, een laatste moment, zijn hand uit het raam, nog één keer grijpen.
Het was de poëzie die hen verbond. Ze lazen elkaar voor.
Zijn mooiste, die hij mee zou nemen, naar waar hij ook zou gaan.
Haar mooiste die ze bij zich hield, als troost voor waar hij ook zou zijn.
De tijd kwam tussen beiden, liet hem – en daarmee ook de woorden – vervliegen naar verleden.
Rouw(e) poëzie
