Trotse Horatius
Zij gedenkt haar vriendin die een jaar geleden overleed. Ze stierf in hààr armen, bij gebrek aan nooit gekregen kinderen. Haar werk had haar leven lang de plaats ingenomen van het nooit gekende kleins. Later – als – nadat – wanneer haar carrière was afgerond, zo had de vriendin bedacht, wachtte haar een goudomrande toekomst vol aandacht voor alles en iedereen waarvoor ze nooit tijd had gemaakt.
Zo zou het gaan.
Zo ging het niet.
Kort na het afscheid van werk werd ze ziek. Even daarna was ze dood. Vol spijt dat ze niet dit, niet eerder dat, en waarom had ze niet zo… Ze stierf, akelig van uitgesteld geluk
Zij zucht bij de herinnering aan haar kompaan. Hoewel ver weg, Joost mag weten waar ze nu is, voelt ze ook haar nabijheid. Ze denkt aan haar laatste woorden die bezworen niets uit te stellen, niet talmen, niet treuzelen. Teksten in de geest van de romeinse dichter Horatius, die het bekende carpe diem de wereld in heeft geslingerd.
Zij haalt een van zijn geschriften tevoorschijn en begint te lezen, trekt de horizon naar zich toe, aarzelt niet langer, schort niet op. Zij leeft voluit het ‘pluk de dag’.
Ze kijkt naar de afbeelding van Horatius op de cover van het boek.
Verbeeldt zij het zich of lacht hij haar trots toe?
