Zoen van de postbode
Zomaar een doordeweekse dag, een wandeling door het dorp. Ineens ziet ze hem voorbij fietsen, de oude postbode, uit de tijd dat de post nog werd bezorgd door vaste mensen die de bewoners in de straat kenden en regelmatig een praatje maakten.
De man had een groot in kranten verpakte doos op zijn stuur. Ze besluit niet dag te roepen, uit angst dat hij met lading en al omvalt als hij zou willen zwaaien. Aan het einde van de straat, als hij een weg moet oversteken, staat hij stil. Hij zet het pak op de grond en stapt af. Hij wacht haar op, is blij haar te zien.
Door de bezuinigingen eindigde zijn carrière. Hij mist zijn ‘klanten’, waar hij lief en leed mee deelde. Gelukkig komt hij zo nu en dan nog een bekende tegen. Zoals zij.
Ze halen herinneringen op, hij noemt haar weer ‘mijn roosje’ zoals hij vroeger deed als zij de rozen stond te snoeien wanneer hij met de bundel enveloppen langs kwam. Hij vertelt prachtige verhalen over zijn brievenbus-carrière.
Dan gaat zijn telefoon. Hij moet weg, de grote doos blijkt een cadeau te zijn voor zijn zoon en het moet rap naar hem toe worden gebracht.
Hij bukt al om het op te pakken, maar dan bedenkt hij zich. Hij draait zich naar haar toe en geeft haar op beide wangen een klappende zoen. Daarna fietst hij weg, zwaarbeladen, maar vederlicht.
Zij zwaait en lacht om dit onverwachte cadeautje, een zoen van ‘haar’ postbode.
Elke zondagmorgen een Mooi kort, even een rustmomentje leestijd
